All I want for Christmas

size2--image-221326Ik moet al mijn hele leven

zo ongelooflijk hard zoeken!

Want ik wil je iets moois geven

en jij leest niet graag boeken.

Je wilt iets om mee te spelen

zoals vroeger, toen je klein was.

Maar echt, je zou je ook niet vervelen

als je af en toe eens een boek las.

Het zou mijn zoektocht makkelijker maken

Als een boek je evenveel zou raken.

Maar ik leg me erbij neer

(al doet het een beetje zeer).

Daarom geef ik je een gedicht,

ik hoop dat je ervoor zwicht.

want Jef,

het klinkt klef,

er is niets dat ik liever wou

dan een gelukkig mens maken van jou.

Vrede op aarde

size1--image-220409

Het is bijna zover, lieve Mary-Lou. Bijna is het een jaar geleden. 7 januari 2015. Een dag vol emoties. Veel mensen willen ze zo snel mogelijk vergeten. Ik niet. Ik beleefde ze met jou, in een piepklein roze wolkje.

En ik beleef ze zo vaak opnieuw, in gedachten. Ik vertel je er soms over als we alleen zijn.

Hoe jij die dag ons leven binnen kwam gebliksemd. Als een sneltrein, net zoals je broertje twee jaar eerder. Ik was ruim op tijd voor die sneltrein, deze keer.
Hoe jij het evenwicht in mijn hoofd herstelde, vanaf de eerste seconde dat ik je zag. Ik was alle emoties die me twee jaar eerder zo ongelooflijk onvoorwaardelijk overweldigd hadden voor en gaf me onmiddellijk over.
Hoe jij het ontbrekende puzzelstukje bleek in ons leven. Twee jaar geleden hadden we nog moeten zoeken naar onze rol als mama, als papa. Maar nu was het zo vanzelfsprekend.
Hoe je papa, je grote broer en ik alle drie smoorverliefd op jou werden vanaf de eerste dag.

Jij en ik in dat piepkleine roze wolkje die dag, we zweefden in een zwarte wereld.

Je zat al in mijn buik toen er een vliegtuig neerstortte in Oekraïne. Dat ene beeld van dat boekje van Nijntje tussen wat wrakstukken, dat staat nog altijd in mijn netvlies gegrift. Het verhaal van die kindjes, die samen met hun grootouders een vlucht eerder namen dan hun ouders. Ik kan het maar niet vergeten. Weet je dat ik er angstvallen van kreeg? De gedachte dat ik jou en je broertje niet zomaar voor alles kan beschermen. De gedachte dat jullie ooit zullen ontdekken in welke wereld jullie beland zijn. Een wereld die soms zo wreed is.

Maar ze is nog nooit veilig geweest, hé, die wereld? Elke seconde die tikt, brengt ons dichter bij een einde. Dat is altijd al zo, en dat zal altijd zo zijn. Waarom maakt het me dan zo bang? Omdat het elk moment gedaan kan zijn, en ik weet niet wanneer of hoe. Die angst overvalt me soms, op onbewaakte momenten. Het is sterker dan mezelf. Ik probeer er tegen te vechten. Want ik laat me niet verlammen door angst.
Je hoeft niet bang te zijn, lief Loutje. Ik beloof je dat ik jouw wereld zo roze mogelijk probeer te kleuren. Jouw wereld, die van je papa en die van je broertje. Wij blijven samen lekker gezellig in onze roze wolk. Af en toe kleurt ze wat donkerder, dat weet ik wel. Maar dat is niet erg, echt niet. Niet bang zijn. Ik beloof dat ik dat ook probeer.

Ciudad del amor

LoveCatsLiefde is niet alles in het leven, maar zonder liefde is alles niets.
– David Precht

Parijs. De Stad van de Liefde. Is dat echt zo? Het is er zo ruw en onpersoonlijk, zo nors en zo hard. Nee, liefde, dat is er amper in Parijs. Barcelona: dát is de Stad van de Liefde. Amor Latino, of zoiets. Want Spanjaarden, zijn dat geen passionele mensen? Ook al zijn er eigenlijk bitter weinig Spanjaarden in Barcelona te bespeuren. Het zal wel gewoon iets persoonlijks zijn.
Barcelona, het is onze ciudad del amor. Die van mijn Fotograaf en mij, dus. We zijn er ons hart verloren, wij twee. Of beter nog: we hebben er ons hart gevonden.
Jaren geleden zijn we er in een impulsieve bui beland, twee dagen nadat we een heerlijk dramatisch romantische film gezien hadden over impulsieve Spanjaarden. Ardilla Roja. Die speelt zich helemaal niet af in Barcelona, maar dat doet er niet toe. Amor latino, dus.
We zweefden, toen. Onze relatie was piepjong, en ontstaan door een vuur van impulsiviteit. Die eerste keer met ons twee in Barcelona, die hebben we echt vanuit de wolken beleefd. Er hing een gouden gloed over de stad. In ons hoofd, dan toch. Want zeven jaar geleden was de stad toch vooral veel vuiler dan nu. En wij waren nog niet zo verwend als nu. We sliepen in een klein en goedkoop hotelletje dat heel erg centraal ligt. You get what you pay for. Voor het ontbijt, een kartonnen croissant met oploskoffie en suikerwater met een sinaasappelsmaakje, kregen we vouchers. Vier kregen we er elk. Drie namen we er terug mee naar huis. Ochtenden dienden niet om te ontbijten, toen, die waren er om te slapen. Elke dag aten we goedkope tapas en dronken we cava rosado in de Catalaanse Xampanyeria Can Paixano.

Vier jaar geleden zijn we teruggekeerd naar onze ciudad del amor. We waren net getrouwd en herinnerden ons die roze roes van verliefdheid nog levendig. En, jawel, ook tijdens die reis dansten we op wolken. Iets luxueuzere wolken, dat wel. De stad zag er wazig uit, met onze dronken blik – van liefde en, oké ja, een beetje van de cava misschien – vanuit het bubbelbad op het dakterras helemaal op de bovenste verdieping van het snobistische Pullman hotel. ’s Morgens ontbeten we er op het terras naast het grote zwembad op de begane grond. Vers fruit, cava, pannenkoeken, eieren met spek. We zetten onze wekker om het overheerlijke ontbijt niet te missen. Restaurants kozen we iets zorgvuldiger uit, maar we keerden toch vooral terug naar dat heerlijke plekje met goedkope cava en tapas, Can Paixano.

Maar dan dit jaar. Zeven vette jaren na die eerste keer Barcelona. Zeven liefdesjaren, vier huwelijksjaren en twee kinderen later. We waren er opnieuw, voor de derde keer: in onze ciudad del amor. Het was anders, ditmaal. Maar toch weer niet helemaal. Even impulsief als die eerste keer boekte Jef onze reis. Maar ik construeerde wel eerst een nauwkeurige planning van waar welk kind wanneer terecht kon. Jef was al maanden hardop aan het dromen over een weekendje Barcelona.
Want wij met twee.
Ik was al maanden zijn dromen wat aan het doodzwijgen.
Want die twee kleintjes.
Maar toch. We hadden er allebei nood aan. Een dag telt te weinig uren. Balanceren, voortdurend balanceren. Genoeg slaap. Vrienden, familie, huishouden, opvoeden, zorgen, werk. En dan vergeet je bijna die relatie. Die zo belangrijk is. Dat leerden we allebei van onze ouders. Op een dag zijn je kinderen het huis uit en dan sta je daar, met twee. Maar je hoeft er zelfs niet eens kinderen voor te hebben. We leren het van scheidende vrienden. Af en toe weg met zijn tweetjes, en je bent die veelbesproken sleur voor. Het heeft iets therapeutisch ook, dat afscheid nemen. Je ziet elkaar bewuster graag, op die momenten. Mijn fotograaf is wel vaker in het buitenland, voor zijn werk. Het liefste heb ik hem, echt waar, elke dag, elke nacht bij mij. Sommige vrouwen vinden het leuk als hun man ‘eens’ weg is. Ik niet, nooit, echt niet. Maar toch. Toch is het goed. Je neemt afscheid, je mist elkaar, jullie samenzijn is eventjes niet zo vanzelfsprekend. Je bent de sleur voor.
Zo voelt het ook met mijn kindjes. Ik zie ze doodgraag, maar soms zorgt de afstand er gewoon voor dat ik dat weer wat meer besef. De dagen voor ons vertrek heb ik ze extra geknuffeld.
Het is maar voor drie daagjes.

Het is niet meer zo onbezorgd als die eerste keer. We zijn niet meer zo impulsief als toen. Maar damned. Barcelona. Zoveel beter dan Parijs.

A Friend in Need is a Friend Indeed

metallechinezen

En toen sprak ik nog eens af met vriendinnen.

‘Ladies Night’ heet zoiets officieel. Een avondje onbekommerd uitgaan met vriendinnen, dat is dan het plan. Mijn kindjes gaan op die avonden het beste naar hun grootouders. Zo heb ik niet alleen tijd genoeg voor mijn vriendinnen, maar ook voor de slaap die erna ongetwijfeld meer dan broodnodig is. Een aantal vriendinnen had ik al véél te lang niet gezien. Dat pikt, soms. Ik zie ze graag, en ik zie ze graag véél. Maar dagen vliegen voorbij en worden weken, weken worden maanden. Tijd kun je niet altijd invullen hoe je dat zelf zou willen. Er zijn andere dingen te doen, of er is geen energie meer. Als ik maar niet zoveel slááp nodig had.

Er was een tijd dat ik ze dagelijks zag. Er was niet meer dan onze eigen wereld, toen. Alles draaide rond onszelf. We maakten ons alleen druk over ons volgende examen, terwijl Destiny’s Child en TLC loeihard door de boxen knalde. De afwas werd pas een zorg als we op zondagavond kokhalzend de pot spaghettisaus met maden ontdekten in de keuken van ons kot. Er waren toen al tranen, maar er was nog zoveel tijd om ze te drogen. Alle keuzes moesten we nog maken.
Elke dag probeer ik te genieten, nu. Ook al lukt dat natuurlijk niet elke dag. Niet blijven steken in het verleden, geen zorgen over morgen. Stilstaan is achteruitgaan, zeggen ze. Maar van stilstaan kun je soms gewoon genieten. Mijn Klein Mannetje van twee geeft mij levenswijsheid. Hij helpt me om te genieten van kleine, dagelijkse dingen. Om vol verwondering te leven. Om alles rustiger aan te doen. Opjagen heeft bij hem geen zin, dat werkt alleen averechts. Als hij iets wil dat hij niet mag, moet ik hem alleen maar afleiden met iets leuks. En dan is hij het vorige alweer vergeten. Zo probeer ik dat ook. Eigenlijk is het simpel, die peuterles. Always look on the bright side of life.

Maar soms blijkt het sterker dan jezelf. Soms is het moeilijk om te relativeren. Als er dingen gebeuren die je even uit je lood slaan, bijvoorbeeld.
Mijn vriendinnen hebben problemen. Kleine problemen, grote problemen, overduidelijke problemen, onderhuidse problemen. En ik wil ze zo graag oplossen, maar dat gaat niet. Dat kan niemand, behalve zij. Het komt wel goed, zeg ik dan. En dat is ook zo. Maar het is toch een kwestie van tijd vooraleer ze dat zelf geloven. Soms wil je ze vooral eens door elkaar schudden omdat ze het maar niet willen geloven. Kijk naar mijn Klein Mannetje, wil ik ze toeroepen. Misschien helpt het wel om af en toe stil te staan en je hoofd in het zand te steken. Denken aan iets leuks, en zo gewoonweg vergeten wat slecht was. Het verleden vergeten. Spijt is verspilling. The time is now. 

Soms wil je ze dan weer door elkaar schudden omdat ze het maar blijven ontkennen: dat ze goed zijn zoals ze zijn. Ze willen mooier en beter zijn dan anderen, maar dat zijn ze niet, toch niet écht. Maar dat is niet erg. Niemand is mooier en beter dan anderen, niet als het gewoon goed is zoals je bent. Jij, nu en hier. Niet meer en niet minder. Gewoon, gelukkig.

Afbeelding (c) Jef Boes

Alles onder controle

IMG_6204

Er was eens een Mama. Samen met haar Fotograaf had ze twee mooie, lieve en gelukkige kindjes: Klein Mannetje en baby-Prinsesje. Af en toe ging haar Fotograaf naar Het Buitenland. De eerste keer, toen alleen nog maar Klein Mannetje er was, vond Mama dat moeilijk. Maar alles went, en al snel kon ze alles aan. Toen Prinsesje kwam, ging haar Fotograaf nog steeds af en toe naar Het Buitenland. Maar dat was niet erg, echt niet. Alles ging goed, echt wel. Werken – kindjes klaarmaken en gelukkig houden – koken – wassen – boodschappen doen – het huis proper houden. Ze kon het allemaal helemaal alleen. Piece of cake. Of ja, met een piepklein beetje hulp van haar poetsvrouw, haar vrienden en haar familie, dan toch, misschien.

Mensen vroegen haar of dat ging, zij zo alleen met twee kleine kindjes. Ja! Riep ze dan enthousiast. Het gaat! Echt waar. Heel goed zelfs! Maar op een dag werd ze overmoedig.

Die dag, dat is vandaag.

Half zeven. Klein Mannetje is wakker. Hij is vrolijk. ‘Meneertje nee’ is er niet, vandaag. Mama is opgelucht. Samen maken ze zich klaar. Daarna maken ze Prinsesje wakker, die lacht en kwispelt als een hondje als ze Mama en Klein Mannetje naast haar bed ziet verschijnen. Met zijn drieën gaan ze naar beneden.

Het is twintig na zeven. Tijd zat. Een vreugdesprongetje. Ze waant zich Supermama. Alles onder controle. Prinsesje en Kleine Mannetje krijgen een boterham met kaas. Klein Mannetje helpt Mama een flesje melk te geven aan Prinsesje.

Het is tien voor acht. En dan gebeurt het. Ze staan klaar om te vertrekken, alledrie even vrolijk. Alledrie hebben ze hun schoenen en jas aan. Ze kan het bijna niet geloven. Ze is op tijd. Te mooi om waar te zijn. Te mooi om waar te zijn? Eerst moet Prinsesje nog in de maxicosi. De maxicosi. Waar is de maxicosi? Ze zoekt overal, ze vindt hem niet. Nergens! Niet in de gang, niet in de living, niet in de kelder, niet in de slaapkamers. Hoe kan ze nu die maxicosi kwijt zijn?!

Vijf voor acht. 

Oké, geen paniek. Prinsesje kan wel in de autostoel, Klein Mannetje kan wel even in de gewone autozetel. Het is niet ver. Het is maar voor één keer.

En dan. Ze zoekt haar autosleutel. Waar is haar autosleutel? Ze zoekt in alle broekzakken. Ze vindt het tutje waar ze eeuwen geleden naar zocht. Ze zoekt in alle jaszakken. Alle handtassen. Ze vindt een verloren gewaande drinkbus.

Acht uur. Ze zoekt in de wasmachine, de droogkast, de kleerkast. Een net-niet-beschimmelde papfles. Eenzame sokken. De ijskast! Helaas. Geen autosleutel. Nergens. Ze verliest haar geduld. Inwendig, want ze voelt de hete adem van haar kinderen in haar nek.

Waar. Is. De. AUTOSLEUTEL?

Geen autosleutel te vinden.

Kwart na acht. Nog steeds geen autosleutel te vinden.

Prinsesje begint te huilen.

Klein Mannetje zoekt mee. Hier, mama! Ikke gevonden! Maar het zijn de fietssleutels.

Twintig na acht. Waar is de autosleutel? Oké, geen paniek. Ze kan de kinderen te voet wegbrengen. Die autosleutel zoekt ze het beste straks, zonder kinderen. Ze wil Prinsesje in de buggy zetten. Maar waar is de buggy? Geen tijd om te zoeken. De draagzak, Prinsesje kan in de draagzak. En Kleine Mannetje in zijn peuterbuggy, dat gaat sneller. Waarom krijgt ze die buggy nu niet open?! Ze smijt de dichtgevouwen buggy weg. Gewoon te voet, dan maar. Ze graait in haar handtas naar haar huissleutel. Niets.

Waar is die huissleutel nu?

Half negen. Nergens, nergens vindt ze haar huissleutel. Nergens! Intussen kan ze niet meer helder denken. Ze belt in paniek haar collega. Rustig blijven, verzoekt die haar. De klok tikt. In gedachten hoort ze de schoolbel. Ze denkt aan haar deadlines op het werk. Ze probeert vrolijk te blijven en bijt op haar lip om niet te vloeken, niet terwijl Klein Mannetje en Prinsesje bij haar zijn. Ze zoekt overal. In alle schoenen, tussen het speelgoed. Haar handtas, voor de honderdste keer. In de keukenkasten. Bij de koekjes. In het rugzakje van Klein Mannetje… Daar is hij. Ze zucht. De huissleutel. Natuurlijk! Een uur eerder had ze die daar zélf in gestoken. Voor Oma, die Klein Mannetje van school zou halen.

Tien voor negen. Klein Mannetje is veilig op school.

Vijf na negen. Prinsesje is veilig in de crèche.

Half tien. Ze is terug thuis. Een half uur eerder had ze op haar werk moeten zijn, veertig minuten rijden. Ze belt haar baas. Die het wel grappig vindt. En haar thuis laat werken. Oef. Ze haalt opgelucht adem. Langzaamaan ebt haar deadlinestress weg.

En de autosleutel? Die vindt ze in de buggy. De enige plaats op aarde waar ze niet gezocht had. De maxicosi? Die is nog steeds spoorloos. In haar auto heeft ze wel nog niet gekeken.

Alles onder controle. 

(Hoeveel tijd zou een mens gemiddeld spenderen aan het zoeken naar sleutels? Als zij al die uren nu eens zou mogen inhalen met slaap. Ze zou waarschijnlijk uitgeruster zijn dan Doornroosje. En misschien net daarom nooit meer vergeten waar haar sleutels liggen)

Dat kijken zoveel liefs vermag

Ze weet dat ze het kan, en ze kan het ook, maar ze kan het soms niet.

Ze kijkt om zich heen en ziet dat iedereen het kan, en dat zij het daarom ook kan. Ze doet alsof totdat ze het kan. Maar soms kan ze het niet. Net zoals iedereen.

En dan geeft iemand het op.

En vraagt ze zich af waarom.

Zij wil nooit opgeven. Omdat kijken zoveel liefs vermag.

IMG_5232

It’s a Hard Knock Life, for them

Maurofirstdayschool_9

Hij gaat voor het eerst naar school, mijn kleine jongen. En ik? Ik heb even alleen oog voor hem. Ik laat me even vangen. Ik en mijn gezin, gevangen in onze kleine wereld.

Ik kijk naar hem, mijn hart vult zich met liefde. Hij ziet er zo mooi uit. Hij ruikt lekker, gewassen met een speciale zeep voor zijn gevoeilige huidje. Alleen verkrijgbaar bij de apotheek. Hij heeft nieuwe kleren aan, die heb ik speciaal gekocht. Zijn mooie boekentas, die ik zorgvuldig uitkoos voor dat kleine rugje. Niet te groot, een kwalitatieve stof, en met een speciaal vakje om zijn drinkbus koel te houden. Zijn nieuwe stevige schoenen, die tegen een stootje moeten kunnen. Zodat hij naar hartenlust de wildebras kan uithangen op de speelplaats. Reservekleren krijgt hij mee, zodat hij snel terug schoon is als het toilet toch eens te ver zou blijken. We steken stukjes fruit en een gezond koekje in zijn brooddoos. Voor een klein hongertje. Overal plak ik naamstickers op. Met een symbooltje bij, zodat hij alles zelf herkent. Hij heeft een helm voor als hij in het fietsstoeltje moet, zodat hij zeker veilig zit.

Alles is goed. En toch maak ik me zorgen. Zoals altijd maak ik me zorgen. Zal hij wel genoeg vriendjes maken? Zullen de juffen op school wel goed voor hem zorgen? Zal hij zich goed voelen? Zal hij wel genoeg eten ’s middags? Zal hij niet te moe zijn van die lange dagen? Kan ik hem wel met een gerust hart in de opvang laten?

En dan komt Jef terug uit Congo. Met verhalen, met foto’s. Van kinderen die verbannen worden door hun ouders, omdat ze denken dat de duivel in hen huist, of omdat ze simpelweg niet voor hen kunnen zorgen. Kinderen die op straat wonen. Vijf jaar, verslaafd aan lijm. Propere kleren, daar kunnen ze zelfs niet van dromen, want ze weten niet eens wat het is.

BakanjaVille_48

Olivier, straatjongen in Bakanja Ville, Lubumbashi. © Jef Boes

En dan doen vreselijke foto’s de ronde in kranten, op sociale media. Foto’s van plaatsen niet eens zo ver hiervandaan. Calais. Turkije. Er spoelen kinderlijkjes aan. Een kindje dat vredig lijkt te slapen. Maar nee, het is dood. Ik zie kinderen zo oud als die van mij. Ik slik tranen weg, ik voel me machteloos. Duizenden ouders zijn wanhopig. Ze vluchten voor gevaar, vluchten voor de dood, ze zijn op zoek naar rust, naar vrede, naar een plaats waar ze samen kunnen zijn. Het liefste zouden ze niet vluchten. Het liefste zouden ze zich gewoon zorgen maken zoals mij. En dan stootten ze op nog meer gevaar, nog meer dood, meer ellende. En vooral veel onzekerheid.

En ik breek uit mijn kleine wereldje. Ik laat mijn bezorgdheid over mijn eigen kinderen varen. Mijn kinderen slapen elke dag in een bed, in een kamer voor hen alleen, in een huis dat hen beschermt. Mijn kinderen hebben alles wat hun hartje wenst, omdat ze toevallig in België geboren zijn, en ik kan daar alleen maar gelukkig om zijn. In mijn eigen kleine wereldje.

Maar het breekt mijn hart als ik denk aan al die kinderen die aan hun lot overgelaten worden. Aan al die families die noodgedwongen uiteen vallen.

RT_aylan_01_mm_150903_16x9_992

Vader van Aylan. © REUTERS

http://www.rodekruis.be/hulp/breng-families-samen

http://www.vluchtelingenwerk.be/doe-een-gift

Klik om toegang te krijgen tot 2015_VDB_D.R.Congo_Lubumbashi_Magone.pdf

Lieve Mauro

’s Avonds, voor je gaat slapen, vraag je me om een verhaaltje. Je wil dat ik vertel over ridders, piraten of kaboutertjes. Ik vertel je dat we ’s nachts, als jouw oogjes toe zijn, in een kasteel wonen. Jij, je zusje, papa en ik. We zijn koning en koningin, ridder en prinses. We rijden hele dagen met paarden en eten elke dag spaghetti. We eten zoveel pudding met smarties als we willen. We krijgen geen rotte tanden als we ze niet poetsen. Pijntjes bestaan niet. En jij mag er de hele dag met je tutje rondlopen!

Je bent twee jaar, nu. Een peuter. Niet langer mijn kleine baby. En elke dag voel ik je een beetje meer van me afscheuren.
Je beseft het zelf niet. Maar deze zomer, lieve Mauro, is het de laatste keer dat het begrip ‘vakantie’ zo abstract blijft voor jou. Vanaf september mag je naar school. Dan begint voor jou het echte leven. Je bent er helemaal klaar voor. Maar toch ook weer niet! Ik wil je zo graag beschermen. En dat zal ik doen, zoveel ik kan. Maar ik kan het elke dag een beetje minder.
Je bent wie je bent, je bent Mauro en dat is voor mij perfect. Dat is voor je papa perfect. Voor je oma’s en opa’s, voor je meters. Maar niet voor iedereen. Er zijn lieve, maar ook boze mensen. Je zult juffrouwen en meesters krijgen die over jou zullen oordelen. Je zult vriendjes krijgen, maar er zullen ook kinderen zijn die je kwetsen. Je zult verdriet hebben, dat is onvermijdelijk. En dat verdriet zal je meer pijn doen dan dat kleine verdrietje omdat je echt geen snoepje mag als ontbijt.
Niet alles, niet iedereen, komt uit het sprookjesbos, Mauro.

Maar dat hoef je nog niet te weten.
Want je hebt nog meer dan tijd genoeg om te spelen. Je hebt nog zoveel tijd om groot te worden.

Weet je dat ik veel van je leer? Dat me opjagen geen zin heeft, bijvoorbeeld. Dat me haasten eigenlijk, op lange termijn, tijdverlies is. Waarom zouden we ons haasten als we daar zoveel stress van krijgen? Wat maken die paar minuten die je ermee uitspaart dan uit?
Als we over straat lopen, bewonder je alles dat je tegen komt. ‘Kijk, mama, vogels, mooi!’, roep je uit als er een doodgewoon vogeltje boven onze hoofden fladdert. Je plakt met je neusje tegen bloemen die we elke dag tegenkomen en kirt enthousiast: ‘Mama ook neusje ruiken, bloemen, lekker!’. In de wereld van grote mensen betekent het geluid van een brandweerwagen eigenlijk slecht nieuws. Maar dat weet jij nog niet. ‘Brandweer, brandweer!’ roep je uitgelaten als je er eentje hoort, en je zwaait naar elke brandweerwagen die we tegenkomen. Glimlachend zwaaien de brandweermannen dan terug.

Ik kan je niet voor altijd beschermen, Mauro. Maar als het zover is, als je helemaal groot bent, beloof je me dan dat je zult blijven dromen?

Kusjes en knuffel,
Je mama

Dit is het land (Annie M.G. Schmidt)

Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen
en altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and’re muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen…
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

IMG_4989-5

Whatever

_DSF1886We waren er klaar voor. Ik zou stoppen met de pil. Drie, twee, één… Heel diep ademhalen en… Go. Ik was ervan uitgegaan dat ik meteen zwanger zou zijn. En dat was ik ook. Ik kom uit een nogal vruchtbare familie. De eerste drie maanden waren ronduit lastig. Ik was doodmoe en kotsmisselijk. Wie heeft dat woord ‘ochtendmisselijkheid’ eigenlijk verzonnen? Ik was de godganse dag zo misselijk dat ik mijn eten amper kon binnenhouden. Enkel mango hield het bij mij uit.

Maar die periode ging voorbij. De wolken verdwenen, de blauwe lucht verscheen. Ik voelde me goed, gelukkig en zorgeloos. Ik bereidde me zo goed mogelijk voor op wat zou komen. Ik deed mijn best zo relaxed mogelijk te zijn. Ik zou het op mijn manier doen en me niet te veel zorgen maken over regels en meningen. Ik stond er niet alleen voor. Mijn man was er, mijn familie, mijn vrienden.

En toen was het zo ver. 

Mijn razendsnelle bevalling had me helemaal overdonderd, en eigenlijk best wel getraumatiseerd. Nee, ik had niet urenlang afgezien. Dus ik had geluk gehad. Toch? Zo voelde het niet. De liefde en verantwoordelijkheid die ik voelde voor mijn kwetsbare kleine baby overvielen me. Overweldigden me. De meningen van de mensen in mijn omgeving overdonderden me. Hier kon ik niet op voorbereid zijn.

Als ik mijn ogen sloot, zag ik de hele tijd beelden van mijn baby voorbij flitsen. Urenlang lag ik wakker, terwijl ik luisterde naar zijn ademhaling. Wiegendood. Af en toe raakte ik hem aan, alleen maar om hem te zien bewegen. Als ik toch in slaap sukkelde, schoot ik na enkele ogenblikken in paniek wakker. Visioenen had ik dan. Dat hij gestikt was in zijn lakentje. Dat ik na het voeden op hem in slaap gevallen was. Overal zag en rook ik gevaar. Ik voelde me een moedergans die hard en agressief blies naar alles wat haar jong in gevaar kon brengen.

Alleen ik kon mijn baby in leven houden. Maar ik voelde me alleen en onzeker. Het bleek geen exacte wetenschap te zijn, het moederschap. Iedereen wist wel iets te zeggen dat anders kon, beter moest. En wie wil nu niet gewoon het beste voor zijn kind?

Ik had me zo sterk en zeker gevoeld tijdens mijn zwangerschap. Dat verdween nu als sneeuw voor de zon. Ik wilde zo graag een goede mama zijn dat het me beangstigde. Toen de borstvoeding niet helemaal ging zoals het hoorde, heb ik vier dagen aan een stuk gehuild.

Ik had op voorhand luid verkondigd dat ik een van die mama’s zou worden die haar leven niet zou veranderen. Mijn werk, mijn sociaal leven, mijn relatie. Perfect te combineren met het moederschap.

Maar nu was het zover. Hoe moest ik dat in godsnaam allemaal voor elkaar krijgen?

In mijn hoofd had ik een lijstje. Een ‘I should be Perfect’-lijstje, zeg maar. Onbewust, dat wel, maar toch was het er. Als een mantra.

  • Zo rap mogelijk die zwangerschapskilo’s kwijt. Niemand mag ooit zien dat ik een kind gekregen heb.
  • Geen wallen onder mijn ogen, graag. Slaaptekort heb ik niet. Echt niet.
  • Een propere omgeving. Geen vuiltje op de grond, geen vuiltje aan de lucht. Een huisvrouw was ik niet. Ben ik niet. Zal ik nooit zijn. Maar de baby. Die mocht geen vuile kleren aanhebben. Geen vuile pamper. Geen vuile lakentjes. Op. Geen. Enkel. Moment. Van. De. Dag.
  • Alleen maar vers eten.
  • Flessenwater, enkel van 1 bepaald merk. Al had mijn kind nergens last van. Je weet maar nooit.
  • Elke dag voldoende flesjes en potjes klaarmaken. Schoonmaken, steriliseren, vullen. Een huishoudelijk organisatorisch talent ben ik niet, maar de baby kon maar beter meteen op zijn wenken bediend worden als hij honger had. Een borst hoef je ook niet eerst klaar te maken.

En zo ging het maar verder. De lijst was eindeloos. Het voelde als een ketting aan mijn been, het was vermoeiend. Schuldgevoel als het niet perfect liep. Blikken van anderen die als zwaarden in mijn rug priemden. Maar mijn onzekerheid verdween, heel langzaam. Omdat ik mijn baby zag veranderen in een fantastische, gelukkige en gezonde peuter. En toen kreeg ik een tweede kans.

God, ben ik blij dat ik eindelijk die mantel van perfectie en schone schijn van me af kan schudden. Mezelf kan zijn. Nu ik zekerder ben van mezelf. Nu ik moeder kan zijn zoals ik het wil, adviezen en meningen over me heen kan laten glijden. Ik probeer.

Blij dat ik eindelijk zie hoe het zit. Dat de vader van mijn kinderen hun papa is. En niet zomaar mijn hulpje.

Georganiseerde chaos. Dat ben ik. Dat is mijn huis, dat zijn mijn kinderen. Dat is mijn sociaal leven, dat is mijn relatie. En nu ik zo rustig ben, gaat alles vanzelf. Mijn vrienden? Ik zie ze minder, maar ze lopen niet weg. Zwangerschapskilo’s? Die waren na vier weken al helemaal verdwenen. Mijn relatie gaat beter dan ooit. Hij en ik, we zijn het allebei: een werkende, zorgende, liefhebbende én gekke ouder.

Zo gaat het goed, zo gaat het beter.

En we trekken ons lekker niets aan van wat anderen zeggen.

A Love Story

295057_10150724581579965_1667233303_n249852_10150204945438093_2193512_n

Hij en haar.

Ze houden van elkaar.

Jaren geleden was er die onverklaarbare bliksemflits. Die trof hem, die trof haar. Ze probeerde het nog te negeren, heel even, maar ze kon het niet. Ze wilde het eigenlijk ook niet. Hij betoverde haar. En ze voelde dat het goed was.

Toen veranderde haar leven in een feest.

Samen dansen ze op wolkjes. Als ze nu haar ogen opent, ziet ze een leven vol schoonheid. Hij tovert haar gedachten weg als ze het moeilijk heeft. Hij blijft niet trappelen in het verleden, hij piekert niet over de toekomst. Ze leven nu. Ze genieten nu. En dat doen ze, met volle teugen.

Hij is haar prins op het rosse paard.